Over beide kapellen
A. O.-L.-Vrouw-van-Blindekens
Dagelijks open van 09:00 uur tot 18:00 uur
Uit de bouwgeschiedenis van de kapel van
O.-L.-Vrouw-van-Blindekens
De vroegste geschiedenis van Blindekens
is nog niet ontrafeld. Mogelijk bevindt zich in de Kreupelenstraat reeds op het
einde van de 13de eeuw een passantenhuis waar pelgrims maar ook daklozen voor
een korte periode onderdak vinden. Wat niet ongebruikelijk is zo dicht bij een
stadspoort.
De overlevering zegt dat Blindekens
in 1305 wordt gesticht als inlossing van een belofte en als herinnering aan de
Slag bij Pevelenberg van 1304. Een veldslag die zich situeert binnen het
Frans-Vlaams conflict. Bruggelingen
zouden immers tijdens de veldslag de belofte hebben gedaan om jaarlijks een
dankplechtigheid te organiseren en een kaars vanaf
Blindekens in processie naar
O.-L.-Vrouw van de Potterie te
dragen. Volgens de achttiende-eeuwse historicus Charles de Custis zou in 1306
een eerste kapel zijn gebouwd door toedoen van graaf Robrecht van Bethune. De zgn. Brugse belofte wordt in een
authentieke kopie van een document van 1418 beschreven (tot nu toe is geen ouder
document teruggevonden). Hieruit blijkt dat er toen reeds lang een godshuis voor
blinden en een broederschap van O.-L.-Vrouw bestaan.
Een stadsbrand in de nacht van 10 september 1415 vernielt een groot deel van het
West-Bruggekwartier, ook de (waarschijnlijk houten) kapel en het godshuis van
Blindekens gaan in de vlammen op. Het
complex wordt in 1417-1420 heropgebouwd dankzij een milde schenking van
Katelijne Tsheeps. De bekende Brugse historicus A. Duclos (1905) vermoedt dat er
vóór de stadsbrand enkel een hospitaal bestond dat nadien wordt vervangen door
verschillende godshuizen.
Op een stuk grond in de Kreupelenstraat laat Katelijne Tsheeps zeven
eenkamerwoningen bouwen en het hospitaal en de kapel herstellen (of volledig
herbouwen). Die kapel staat afgebeeld op de kaart van Marcus Gheeraerts (1562).
Ze bestond uit twee dwarsbeuken met de voorgevels op de Kreupelenstraat. Vanaf
de 15de eeuw wordt Blindekens beheerd
door het Sint-Juliaanshospitaal dat zich in de Boeveriestraat bevond.
Rond de kapel worden in de zeventiende eeuw drie godshuizen opgericht op
initiatief van Jan van Pamel, Marius Voet en Laurentia Soutieu. Belangrijke schenkingen in 1650 maken de
bouw van een volledige nieuwe kapel mogelijk en dezelfde milde schenkers zorgen
ervoor dat twaalf behoeftige blinden in het godshuis kunnen verblijven en nooit
meer hoeven te bedelen. Er zal steeds in hun levensonderhoud worden voorzien.
Arme blinde passanten hebben ook recht op tijdelijk onderdak. Twee broeders en
drie zusters onder leiding van een meester (en onder het beheer van
Sint-Juliaans) staan in voor de verzorging.
Jan de Herdt , meester van Sint-Juliaans van 1634 tot 1662, houdt
toezicht op de werken. Sint-Juliaans treedt op als bouwheer van de nieuwe kapel.
Jammer genoeg zijn de rekeningen van deze instelling uit die periode niet
bewaard gebleven. Enkele kwitanties en een interessant contract zijn in het
archief van het O.C.M.W. gelukkig wel terug te vinden. De werken aan de nieuwe kapel starten in
1651. Meester-metselaar Jacques Coppet en meester-timmerman Clement de Prince
leiden de bouwwerken. Beide zijn in het midden van de 17de eeuw succesvolle
bouwmeesters in Brugge. Coppet wordt
niettemin door de opdrachtgever op de vingers getikt wegens slecht uitgevoerd
werk aan de vensters. Het bewaard
gebleven contract tussen De Prince en de meester van Sint-Juliaans Jan de Herdt
is interessant. De uitvoering van het eiken dakgebinte van de kapel, de
halfronde gewelven en de deuren worden aan hem toevertrouwd. Hoe de eiken
dakconstructie er moest uitzien wordt in deze overeenkomst zorgvuldig
beschreven. Dankzij de kwitanties kennen we nog namen van de dakwerkers en de
loodgieters zoals Antone de Nulleyn (dakwerken) en Adriaen van Doorne
(loodgieter). Op 18 augustus 1652 wordt
de nieuwe bidruimte ingewijd door bisschop Karel van de Bosch.
In de kapel worden zowel op het einde van de achttiende eeuw als in het begin
van de negentiende eeuw herstellingswerken uitgevoerd. De voorgevel wordt in
1822 hersteld door aannemer Meyns.
Tussen 1880-1881 volgen ingrijpender werken. Op initiatief van de toenmalige
proost wordt voorgesteld de kapel te restaureren en te verfraaien als en soort
eerbewijs aan onzer groote helden
Breidel en De Coninck en dit omdat de stichting van de kapel verband zou houden
met hun heldendaden. De opkomst van nationale gedachte in die periode ligt aan
de basis van die restauratiecampagne. Kanunnik Adolf Duclos begeleidt de werken
die worden uitgevoerd door Jules Van Nieuwenhuyse (nieuw gewelfbeschot) en
Ghislain Janssens wat de neogotische muurdecoratie betreft. De kapel en het koor
worden met een hoge plint in damastmotief en enkele figuratieve voorstellingen
versierd. Op uitzondering van twee glasramen is niets van deze
negentiende-eeuwse ingreep bewaard.
O.-L.-Vrouw van Blindekens is een
bakstenen eenbeukige kapel afgedekt met een zadeldak en met een smaller (en pas
in 1703) aangebouwd vijfzijdig koor. De voorgevel is een hoge topgevel, die is
afgewerkt met vlechtingen (dit is een metselwijze waarbij loodrecht op de
schuine zijkanten van de gevel wigvormige stukken baksteen van vier tot acht
lagen worden ingemetseld om het metselverband te verstevigen: een typische
werkwijze in de zeventiende eeuw).
De top van de gevel is bekroond met een klokkentorentje (dat in 1994 is hersteld).
De nog originele dubbele toegangspoort, gevat in een geprofileerde natuurstenen
omlijsting, is 1651 gedateerd. De houten deur is met een eenvoudige maar fraaie
makelaar versierd en is nog authentiek. Het natuurstenen Mariabeeld boven de ingang
dateert uit 1945 en vervangt een oud houten beeld dat om conservatorische redenen
in de reserves van het O.C.M.W. wordt bewaard. In de geveltop zijn sporen merkbaar
van een groot gedicht rond venster. De top is bekroond door een klokkentorentje
met een kruis en windvaan.
De bakstenen zijgevels zijn afgewerkt met een overhoekse muizentandlijst en doorbroken
door vier omlijste segmentboogvensters.
Een zijdeur, die zich situeert in het steegje tussen Kreupelenstraat en Kammakersstraat,
dient nu als toegang tot de fraaie en bijzonder sfeervolle kapel.
Het schip van de kapel is vier traveeën diep en is overwelfd met een tongewelf uit
1939 (gerealiseerd naar het ontwerp van architect Luc Viérin). Vier trekbalken en
een strijkbalk dragen de nog originele zeventiende-eeuwse dakconstructie. De balken
zijn versierd met geprofileerde balksleutels en rusten op natuurstenen consoles.
In de vensters naast het altaar zitten neogotische glasramen die naar aanleiding
van de verfraaiingswerken in 1880 door de Brugse glazenier Samüel Coucke (1833-1899)
zijn gemaakt. Ze stellen de legendarische stichting van
Blindekens door de graaf van Vlaanderen Robrecht van Bethune en het verhaal
van de miraculeuze aankomst van het Sint-Michielsschip in 1588 voor.
Samüel Coucke leidt vanaf 1864 een eigen glazeniersatelier
in de Korte Vuldersstraat
14 in
Brugge en werkt volgens Engelse technieken. Zijn
kleuren zijn vol, glanzend en
doorschijnend. Coucke en zijn zonen worden als zeer belangrijke glazeniers beschouwd
en hun werk is tot ver buiten de landsgrenzen verspreid.
De twee overige glasramen stellen de H.-Rochus en de H.-Philomena voor en zijn creaties
van Henri Dobbelaere (1822 - 1885).
Henri Dobbelaere is naast glazenier ook een vrij succesvol schilder van historische
doeken. Vanaf 1860 legt hij zich uitsluitend toe op de glazenierskunst. Vele van
zijn glasramen zijn bewaard in Brugse kerken en kloosters. Zijn atelier was gevestigd
op het Walplein 38.
Brigitte Beernaert
Een rondgang in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekens
Normaal ga je de éénbeukige kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekens binnen via
een segmentvormig poortje dat zich in een smal steegje tussen de Kreupelenstraat
en de Kanmakersstraat bevindt. Dit
heeft zijn charmes. Direct neem je
al een buigende houding aan. Is dit
opzettelijk? Of waren de mensen uit
de zeventiende eeuw werkelijk kleiner dan vandaag?
Onmiddellijk rechts bij het binnenkomen staat, wat afgeschermd voor de tocht,
een toog waar vroeger een volksvrouw medailles, bedevaartvaantjes en andere devotionalia
verkocht, ook bidprentjes en kaarsen.
Nu kan je onverwijld en in amper een paar passen het altaar met het miraculeuze
devotiebeeld bereiken. Hier laat je
het pas aangekochte was in vlammen opgaan met de hoop dat je smeekbedes of dankbetuigingen
meteen ten hemel opstijgen.
Net als in de kapel van O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie staat het Mariabeeld, waaraan
deze bidruimte haar naam en faam dankt, niet op het barokke hoofdaltaar.
Voor haar werd hier, in een latere periode, een veel soberder altaar in hout
gecreëerd. De neorenaissancistische
stijl lijkt meer op een afrekening met de vroegere neogotische aankleding van de
kapel dan op een harmonische creatie met de rest van de (soms pseudo-)barokke interieurafwerking. Ook de altaartafel rust op houten namaakbeslagwerk
à
la Vredeman
de Vries of Floris. De houten kaarsenbank
vertoont nog neogotische reminiscenties.
Het miraculeuze beeld wordt omkranst door een verzilverde wat classicistisch geïnspireerde
bloemenopsmuk met linten, engelenkopjes en vaasjes met vlammen.
Maria’s plaats in deze religieuze ruimte siert ook haar eenvoud.
In dit altaar werd het witstenen grafmonument uit ca. 1500 van Frans van
Busleyden (+ 1502) verwerkt. Deze proost
van Sint-Donaas was ook aartsbisschop van Besançon en diplomaat.
Het gedenkteken werd in 1812 aan de kapel geschonken om te voldoen aan een
belofte door de Leuvense geneesheer Joris Fisco (+ 1813), die in Brugge woonde,
en komt hoogstwaarschijnlijk uit de voormalige Brugse Sint-Donaaskerk.
Het stelt Van Busleyden voor die als eeuwige gedachtenis en in groot ornaat,
met koorkap (waarop zijn wapen prijkt), mijter en kruisstaf, neerknielt voor de
gekruisigde Heer. Achter hem staat
de H. Johannes, die traditioneel aan de linkerkant van het kruis zijn plaats innam. Zou het soms zijn patroonheilige Franciscus
niet kunnen voorstellen die de stigmata in zijn handen ostentatief toont?
Zijn houding en zijn blote voeten zijn inderdaad opvallend.
Johannes wordt zelden zo in de nabijheid van het kruis voorgesteld, wel biddend. En met de polychromie kon de schilder
– mogelijk de zestiende-eeuwse Brabander Joannes (Hans) de Vale (Van Dale ?) – de
wonden nadrukkelijk weergegeven. Maria
van Magdala knielt biddend aan de andere kant en zette haar zalfpot onder het kruis. O.-L.-Vrouw vormt een compositorisch
evenwicht met Johannes-de-Evangelist.
De symmetrische opstelling wordt verder geaccentueerd door de wapperende panden
van de lendendoek van Christus, door de grootte van de kruisarm en door twee engelen,
in gebedshouding, die als het ware in heraldische opstelling aan weerszijden van
het kruis zweven. In de nabijheid van
dit zijaltaar bevindt zich veilig achter glas een Antwerps retabelfragment met de
voorstelling van de graflegging. Deze
zestiende-eeuwse eikenhouten sculptuur, waarvan de oorspronkelijke polychromie zich
nog onder de meer recente overschildering bevindt, dateert uit het begin van de
zestiende eeuw. Ook dit kunstwerk kwam
er pas na de Franse Revolutie terecht.
Vergeten we niet dat tijdens die woelige tijd het grootste deel van het kunstpatrimonium
en de zilveren ex-voto’s voorgoed uit deze bidplaats werden verwijderd.
Erboven hangt een Vlaams devotiepaneeltje uit dezelfde periode.
Het stelt de lactatie voor en ademt stilistisch nog volledig de sfeer van
de Vlaamse Primitieven uit.
Het hoofdaltaar valt meer op. Dit kerkmeubel
werd, volgens het opschrift, in 1650 geschonken door Jan Fatry en Margriet Boeteman. De naam van de uitvoerder werd nog niet
achterhaald. Soms wordt de uit Antwerpen
afkomstige maar in Brugge en Gent werkende Jacob Cocx (+ 1665) gesuggereerd. Het monumentale altaar was wel voorzien,
want er moest bij de plaatsing geen oostelijk venster worden dichtgemaakt, zoals
dit in andere kerken wel eens gebeurde.
Op andere plaatsen in deze kapel zien we wel sporen van dichtgemaakte vensters. Het sobere portiekaltaar werd traditioneel
uitgevoerd in wit en zwart marmer.
Centraal prijkt erin een schilderij van de Bruggeling Jacob van Oost de Oudere (1603-1671). Iconografisch sluit het thema van dit
gesigneerde doek perfect aan bij de verering van de Lieve Vrouwe in deze kapel. Enkele armen, zieken (blinden) en kreupelen
zoeken troost, hulp en redding bij een barok gecomponeerde Maria die Jezus speels
vasthoudt. Zij zit op een wat antieke
sokkel. Stilistische invloeden van
Caravaggio en Rubens zijn niet te loochenen.
Bovenaan in de nis prijkt een Mariabeeld dat in 1860 door Hendrik Pickery (1828-1894)
werd gekapt. Oorspronkelijk stond hier
een lindehouten sculptuur die meestal aan Pieter Pepers (1730-1785) wordt toegeschreven. Dit beeld werd op 5 april 1900 door
het Oudheidkundig Genootschap aangekocht en wordt nu in het Gruuthusemuseum bewaard. Het werd geregeld gekopieerd, o.a. in
het begin van de jaren vijftig door het Brugse huis Dupont voor een Kortrijkse school. In 1986 dook een terracotta in een Londense
veiling op dat als een bozzetto voor dit beeld kan doorgaan.
Nu doorboort de kleine Jezus met een vlijmscherpe kruisstaf de bek van een
kronkelende slang die de appel aanbrengt, symbool van het kwade en de duivel en
een allusie op het scheppingsverhaal.
Deze voorstelling hangt eveneens samen met de hoedanigheid van Maria als nieuwe
Eva: de oude Eva werd door de slang onderdrukt, de nieuwe verslaat de slang. Ze heeft samen met haar zoon de zonde
en de dood overwonnen. Staat soms niet in de door het Concilie van Trente aanvaarde
Vulgaat: “Ze zal uw kop bedreigen, en gij haar hiel!”.
De vergulde maansikkel is dan weer ontleend aan een vers uit het Hooglied
(6,10) en wordt in verband gebracht met de Laudes Marianae: pulchra ut luna
(schoon als de maan). Op de voluten
aan weerszijden knielen engelen. De
altaartafel in Lodewijk XVde-stijl dateert uit de negentiende eeuw en werd door
vrome weldoeners geschonken. Het tabernakel
is nog recenter.
In deze absisruimte valt zeker ook de monumentale sacristiedeur op.
Ze werd ingewerkt op het einde van een houten lambrisering.
De barokkenmerken druipen er zo van af: allerlei marmersoorten, opgekrulde
voluten en dynamisch gesculpteerde attributen.
De constructie werd bekostigd door Joost Schroy, pastoor-deken van Sint-Salvators. Hij koos ook deze kapel als laatste
rustplaats uit. De aanwezigheid van
een borstbeeld met voorstelling van de H. Rochus herinnert aan de pest.
De identificatie van deze uit Montpellier afkomstige sint valt niet te loochenen. Zo bracht de hond van de schatrijke
Gothard Palastrelli hem dagelijks een stuk brood en kwam een engel de met pest besmette
heilige verzorgen. Dit portaal herinnert
meteen aan een Sint-Rochusbroederschap die enige tijd in deze kapel actief was. De krappe koorbanken voor de confrérieleden
vertonen nog laatrenaissancistische ornamentiek.
Vroeger waren er aan de westzijde van de kapel nog enkele gestoelten. Sporen in de vloer bewijzen dit.
Het koor wordt afgesloten door een smeedijzeren communiebank uit 1773,
die tijdens de late twintigste eeuw geregeld werd aangepast aan de noden van de
liturgie. In 2003 kreeg ze haar oorspronkelijke
uitzicht terug. De Brugse smid Pieter
Kinsoen gebruikte krulpatronen, rocaillemotieven en gouden slingers om dit kerkmeubel
op te smukken.
Iconografisch interessanter is zeker de preekstoel uit 1659 – één van de oudste
in Brugge – die zich in de oksel van zaalkerk heeft gevlijd.
Hij is enkel te beklimmen via de sacristie.
Dit gebeurt wel meer. Denken
we bijvoorbeeld aan die in de Brugse H. Bloedbasiliek.
Inhoudelijk past deze zeventiende-eeuwse kansel volkomen in de contrareformatorische
sfeer en vormt een parel van mariale symboliek die duidelijk naar de Onbevlekte
Ontvangenis verwijst. Ondanks een jarenlang
dispuut beveelt paus Sixtus IV in 1476 dat alle kerken op 8 december het feest van
de Onbevlekte Ontvangenis moeten vieren.
De discussie neemt daarmee geen einde en zal vooral tijdens de Contrareformatie
werkelijk tot een climax leiden. Niet
alleen theologen en kloosterlingen bemoeiden zich toen met deze ingewikkelde zaak,
maar evenzeer wereldlijke vorsten, waaronder de bij ons regerende aartshertogen. De preekstoel in Blindekens dateert
uit die tijd. De uiteindelijke ontknoping
valt pas op 8 december 1854 wanneer paus Pius IX er een dogma van maakt.
Vooral de kuip en het wandbeschot zijn opgesmukt met reliëfs die deels ontleend
zijn aan bijbelse typologie, deels aan oudere schrijvers en kerkvaders, deels aan
de litanie van Loreto. Het zijn de
zgn. Laudes Marianae. We vinden er
de ‘lelie tussen de doornen’, de ‘spiegel zonder smet’, de ‘ster der zee’, de ‘rozengarden
van Jericho’, de ‘troon van Salomon’ en het ‘altaar van het reukwerk’.
Let ook op de bevochtiging van Gideons vacht, een verwijzing naar haar maagdelijkheid. Op het klankbord wordt de tenhemelopneming
van Maria in een barokke zwier weergegeven.
Vergeten we niet dat op die feestdag jaarlijks de belofteprocessie wordt voltrokken.
Tot het beeldhouwwerk in deze kapel behoort ook de biechtstoel.
Hij werd in de zuidelijke muur ingewerkt.
Compositorisch beantwoordt hij volkomen aan de traditionele biechtstoelen
met in het midden de plaats voor de geestelijke en aan weerszijden voor de knielende
boetvaardige gelovige. Het kerkmeubel
is opgesmukt met ornamentiek die stilistisch verwijst naar de zeven- en achttiende
eeuw, maar werd vermoedelijk pas een tweehonderd jaar geleden gemaakt.
Het doksaal dateert uit 1684 en wordt door twee Toscaanse zuilen in marmer
ondersteund. Vooral het orgelfront
en de balustrade – beide in 2003-2004 gerestaureerd – getuigen van een fraaie barokke
afwerking. De sculpturen op het muziekinstrument
verwijzen naar het stichtingsverhaal van deze kapel.
Wat toegevoegde schilderijen met religieuze taferelen uit de verzameling
van het O.C.M.W. om de destijds geplunderde te vervangen, enkele bewaarde gonfalons
van meestal ontbonden confrérieën en de houten banken aan de zijkanten maken van
deze wat verdoken Brugse bidruimte een aangenaam en warm ogend geheel.
(kadertekst)
Het beeld O.-L.-Vrouw-van-Blindekens
Het bekendste kunstwerk in de kapel is ongetwijfeld het Mariabeeld.
Het is een gepolychromeerde en vergulde eikenhouten sculptuur die een zittende
Maria met het Kindje Jezus voorstelt.
De H. Maagd is frontaal weergegeven maar nijgt met haar hoofd naar het Jezuskind
dat naar zijn moeder opkijkt. Hij wil
haar zelfs omarmen. In de linkerhand
houdt ze een vernieuwde scepter vast en hun hoofden worden eveneens met zilver gekroond. Bepaalde delen, evenals de beschildering,
werden in 1903 grondig hersteld. Dit
gebeurde, zoals vele middeleeuwse beelden, door het bekende Oost-Vlaamse restauratieduo
Bressers-Blanchaert dat de neogotiek sterk propageerde.
Deze doortastende restauratie maakt een precieze datering niet gemakkelijk. De recente veronderstelling dat het
oorspronkelijke beeld in de brand van 1415 verloren ging en dat stante pede nadien
in Brugge een nieuw exemplaar werd gemaakt, klinkt logisch maar valt niet te bewijzen. Stilistisch past het kunstwerk wel beter
in het eerste kwart van de vijftiende eeuw dan in de vroegere veertiende eeuw, iconografisch
minder. Toch mag niet over het hoofd
worden gezien dat een miraculeus beeld bij een brand wel eerst werd gered.
Doordat een grondige studie van de Brugse beeldhouwkunst nog moet worden
geschreven, verdwijnt het antwoord momenteel in de nevel van de geschiedenis.
Jean Luc Meulemeester
B. O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie
Dagelijks open van 09:00 uur tot 18:00 uur
Uit de bouwgeschiedenis van de kapel O.-L.-Vrouw-van-de-
Potterie
Een volledige geschiedenis van de site die in Brugge kortweg
Potterie genoemd wordt, moet nog neergeschreven worden.
Twee documenten uit 1276 laten vermoeden dat een passantenhuis en een
hospitaal op die plaats toen reeds goed functioneren. Lambrecht de Wulf en Colaert
de Makelare verbinden zich ertoe om jaarlijks zes pond aan de Potterie te schenken.
Deze verbintenis is neergepend in een oorkonde vóór de stadsschepenen op 11 oktober
1276. Op 22 december van hetzelfde jaar vraagt de toenmalige deken van het Sint-Donaaskapittel
aan de bisschop van Doornik om zijn goedkeuring te verlenen aan de instelling. Er
wordt bovendien een officiële erkenning gevraagd voor een kerk, een kerkhof en twee
klokjes. De goedkeuring van de Doornikse bisschop komt er pas in 1289. Er zou toen
een kerk gebouwd zijn en een kerkhof aangelegd. De aanstelling van een priester
maakt het mogelijk om de instelling ook als een afzonderlijke parochie te laten
werken.
Verschillende passantenhuizen zijn opgetrokken op invalswegen waarlangs reizigers
en handelaars de stad binnenkomen. Ook Blindekens
is zo’n voorbeeld. De nabijheid van het
water van de Reie is hier bovendien essentieel om de werking als hospitaal te verzekeren.
Aan de Potterierei wonen en werken op dat ogenblik heel wat pottenbakkers, zoals
verschillende archeologische opgravingen hebben aangetoond. Aan de overkant van
de Potterie ligt
de Wijc, een oud havengebied met scheepswerven.
Passanten en zieken worden aanvankelijk verzorgd door zusters. Financiële problemen
noodzaken hen om de hulp van de stadsmagistraat in te roepen. Als oplossing stelt
men voor om de Potterie te laten samensmelten
met de stedelijke instelling ‘het Heilige-Geesthuis uit de Goezeputstraat. Deze
caritatieve instelling, opgericht in de twaalfde eeuw, verleent hulp aan thuisblijvende
arme en zieke mensen, de zogenaamde scamele huusweken,
en staat onder rechtstreeks toezicht van de stadsmagistraat.
De broeders van het Heilige-Geesthuis vormen vanaf dan samen met de zusters van
de Potterie een dubbelgemeenschap, met
als naam hospitaal van de
Heilige-Geest, dat men heet ter Potterie.
In de loop van de veertiende eeuw kent de Potterie
een sterke ontwikkeling. Er wordt veel gebouwd en talrijke schenkingen verrijken
het patrimonium. Vanaf 1410 reeds evolueert de instelling naar een bejaardentehuis,
maar blijft ook onderdak verlenen aan passanten.
Pas vanaf het midden van de vijftiende eeuw worden door de broeders en zusters
professiegeloften afgelegd en dragen ze een eigen habijt.
In 1529-1530 worden de hospitaalvleugel gewijzigd en de kerk en de ziekenzaal van
elkaar gescheiden. Op het einde van de 16de eeuw verdwijnen, net zoals in het Sint-Janshospitaal,
de broeders uit de gemeenschap en van dan af zijn het zusters Augustinessen die
instaan voor de verzorging van de bejaarden.
Het complex wordt in 1623-1625 uitgebreid met een Mariakapel, speciaal opgericht
ter ere van de devotie van het vertiende-eeuwse beeld dat hier wordt bewaard.
Net zoals bij de andere caritatieve instellingen is het beheer van deze instelling
met de Franse revolutie overgedragen aan de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen
(het huidige O.C.M.W.). De functie als bejaardentehuis wordt toen verder uitgebouwd.
In 1880 restaureert van architect Karel Verschelde (1842-1881) de gebouwen en Pastoor
Alfons Maertens richt een deel ervan in als museum. Hij bouwt bovendien een bescheiden
kunstgalerij om de kunstwerken, die vanaf de negentiende eeuw in de gebouwen zijn
bijeengebracht, tentoon te stellen.
Pas in 1976 worden nieuwe ruimere vleugels bijgebouwd in functie van het bejaardentehuis,
dat vandaag aan ruim tweehonderd bewoners onderdak biedt. Nog steeds zijn de zusters
Augustijnessen betrokken bij de instelling, die beheerd wordt door het O.C.M.W.
De historische gebouwen dateren uit het einde van de dertiende eeuw tot de achttiende
eeuw. Vanaf de Potterierei onderscheidt men duidelijk drie dwarsvleugels. Het linker
dwarspand is de voormalige ziekenzaal met op de verdieping de slaapzaal van de zusters
(dertiende-veertiende eeuw), het middelste dwarspand is de kerk (1359) en het rechter
is de zogenaamde Mariakapel (1623). De straatgevels zijn vrij eenvoudige punt- of
tuitgevels verfraaid met natuurstenen elementen. Links van de ziekenhuisvleugel
bevindt zich een monumentale zestiende-eeuwse bakstenen schoorsteen, overvloedig
met maaswerk versierd. Vóór de gevel van de kerk werd in 1880 een houten luifel
geplaatst, speciaal voor de devotie tot Maria. De gevel van de Mariakapel is opgetrokken
in de voor de zeventiende eeuw typische rode (en zachte) baksteen.
Het bezoek aan het complex begint in het voorhospitaal. In de voormalige ziekenzaal
zijn verschillende merkwaardige kunstwerken opgesteld. De zoldering van de ziekenzaal,
die bestaat uit moer-en kinderbalken, is in de negentiende eeuw nieuw bekleed met
houten plankjes. De pandgang daarachter
dateert pas uit de jaren dertig. Via het voorhospitaal bereikt men ook de kerk.
De kerkbeuk uit 1359 is overwelfd met een houten spitsbooggewelf, versierd met smalle
ribben. Drie moerbalken, waarvan één met korbelen, ondersteunen dit gewelf. De ribben
van het vijfhoekig koor, eveneens met een houten tongewelf, worden opgevangen door
sluitstenen waarvan er vier met een figuratieve versiering nog oorspronkelijk zijn.
De ziekenboeg stond tot in de vijftiende eeuw rechtstreeks in contact met de kerk
en bij de omvorming tot bejaardentehuis wordt dit gewijzigd.
In een speciaal naar het ontwerp van Jean Bethune in 1896 aangebouwd kapelletje
staat het praalgraf van de Zalige Idesbald van der Gracht. Idesbald (ca.1100-1167)
was cisterciënzermonnik en derde abt van de abdij Ter Duinen in Koksijde. De Duinenabdij
verhuisde in 1627 naar Brugge, juist naast de
Potterie. De laatste abt van de abdij, Nicolaas de Roovere, schenkt de stoffelijke
resten van Idesbald in 1832 aan de zusters. Het houten reliekschrijn is in een zuivere
neogotische stijl gerealiseerd.
Brigitte Beernaert
Uit het kunstpatrimonium van de O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie
Het gebeurt zelden dat de grote poort van de recent gerestaureerde kapel van O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie
wagenwijd openstaat: soms op zondagochtend, voor begrafenisdiensten en natuurlijk
wanneer de Brugse Belofte jaarlijks op 15 augustus schroomvol wordt volbracht. Wanneer je langs dit portaal deze mariale
bidplaats binnenkomt, overvalt je een gevoel van gezelligheid.
Het lijkt wel alsof alle registers van de barok hier werden opengetrokken. Bij nader toezien ontbreekt een toccata
en fuga à
la Johann Sebastian
Bach (1685-1750) om van een volwaardig gesamtkunstwerk te kunnen spreken.
We krijgen er niet de triomferende en monumentale Italiaanse barok, zoals
in de Sint-Walburgakerk, en het volkomen intieme karakter van de Sint-Annakerk,
om ons tot Brugse voorbeelden te beperken.
De reden waarom we onze inleidende beschouwing wat moesten temperen ligt gedeeltelijk
in het feit dat het bouwembryo van deze bidplaats niet in de zeventiende eeuw, maar
wel in de Middeleeuwen ligt. Zoals
we al in een vorig artikel konden lezen, werd het complex in 1623-1625 uitgebreid
met een speciaal aan Maria opgedragen kapel, gevlijd tegen een gotische beuk met
vijfzijdige absis daterend uit iets na het midden van de veertiende eeuw.
Deze verruiming en die toewijding aan O.-L.-Vrouw kaderen ongetwijfeld in
de grote devotie tot de Moeder Gods, die er al sinds mensenheugenis werd vereerd,
en ook in de contrareformatorische ijver om de adoratie tot Maria aan te wakkeren
als reactie tegen het protestantisme dat de typische rooms-katholieke heiligencultus
liet uitdoven. Jarenlang was het hier
meer dan een begankenis om de Lieve Vrouwe te eren, te zoeken naar troost en te
smeken om rechtvaardige hulp. Door
die aanbouw geraak je als bezoeker de oriëntatie kwijt en twijfel je welke nu de
hoofd- en welke de zijbeuk is. En de
aankleding ervan helpt ons hier niet verder.
Alle gerestaureerde vensters van dit aanbouwsel dragen wel nog gotische kenmerken
in zich. Wie schreef ook alweer dat
de gotiek latent in Brugge aanwezig is en blijft?
Zowel de muren van de gotische basisruimte als de aanbouw werden vooral in de zeventiende
eeuw bedekt met een uitzonderlijke verzameling wandtapijten, losstaande sculpturen
en kerkmeubilair. Deze werden grotendeels
door mecenassen geschonken, meestal om te voldoen aan beloften die ze ooit uitspraken
om een bepaalde gunst van de H. Maagd te verkrijgen.
De vele wassen en zilveren ex-voto’s, memorieschilderijen (van kinderen,
van vrouwen en over maritieme gebeurtenissen) en andere devotionalia leggen daar
eveneens getuigenis van af. De namen
van de schenkers bleven meestal enkel bewaard in de palm van Gods hand.
Dit geldt evenzeer voor vele uitvoerders die eveneens in de anonimiteit van
de geschiedenis verdwenen. Dit spreekt
vanzelf, schenkingen werden niet genotuleerd in de boekhouding van de gasthuiszusters. Deze kloosterlingen berekenden wel vlijtig
wanneer en bij wie zij zelf verbouwingen betaalden, meubilair bestelden of andere
kunstwerken aankochten. Kunsthistorici
vlooiden geregeld al deze nog steeds in situ bewaarde archiefbescheiden uit in de
hoop toch maar één of andere toeschrijving te kunnen vinden.
Een schoolvoorbeeld van dit laatste is het monumentale doksaal dat het zicht
op het zusterkoor meer dan afschermt.
Dit monumentale kerkmeubel, dat weliswaar getuigt van de nog archaïsche visie van
de ontwerpers en/of opdrachtgevers op de toenmalige liturgie, werd uitgevoerd omstreeks
1644-1647 door de uit Antwerpen afkomstige Jacob Cocx (+ 1665).
De beelden van de grote ordestichters, boven de gekoppelde roodmarmeren zuilen,
zijn pas in 1860 door een anonieme mecenas geschonken.
Ze stellen de HH. Dominicus, Benedictus, Franciscus van Assisië en Bernardus
voor. De gesloten vormgeving van het
doksaal, het sterke horizontalisme en de geometrische versieringen kunnen niet als
vernieuwend doorgaan. De gehele constructie
vertoont nog duidelijke inspiratie van de toen al wat verouderde zgn. Florisdoksalen,
waarvan dit in de Doornikse kathedraal wel een schitterende illustratie is. Toch zijn er natuurlijk wel diverse
kenmerken die wijzen op een vroege barok: kleurrijke marmersoorten, de vermelde
koppeling van de gladde zuilen met een pseudo-Ionisch kapiteel in witmarmer en het
doorbreken van de segmentvormige bekroning tot opgerolde voluten met een nis waarin
een negentiende-eeuws H. Augustinusbeeld prijkt.
Deze bisschop van Hippo is de ordevader van de kloosterlingen.
Zijn aanwezigheid (ook als grote ordestichter) is hier net als een zinsnede
uit zijn boek Confessiones, die in vergulde letters op een zwartmarmeren
plaat boven de middelste travee werd gekalligrafeerd, dus meer dan gerechtvaardigd. Vruchtenguirlandes, cartouches en gevleugelde
engelenkopjes kunnen eveneens als postrenaissancistische versierselen doorgaan. Aan de uiterste zijden werden tegen
blinde muren twee altaren opgetrokken.
Dit is niet uitzonderlijk. Ze zijn
respectievelijk toegewijd aan de H. Antonius en aan de H. Brandanus.
Beiden werden hier ooit vereerd.
De altaarschilderijen tonen logischerwijze taferelen uit hun leven.
Let hier ook op de in Brugge geweven antependia die de voorkant van de altaartafel
bedekken. Ze stellen De aanbidding van
de herders en een Sacra Conversatione met de beide Johannessen voor
en dateren uit vroegere eeuwen. Vooral
het harmonische en getemperde kleurengamma valt hier op, al is dit mogelijk te wijten
aan het verbleken door het zonlicht.
De mogelijkheid om het doksaal met een houten dubbele deur, geajoureerd met koperen
balusterzuilen uit ‘ANNO
1645’
, volledig te sluiten en zo de toegang
tot het koor te beperken, zal wel redenen hebben: zorgen voor een knusse ruimte
waar de gasthuiszusters zich voor het gebed alleen konden terugtrekken zonder gestoord
te worden door bedevaarders en zieken.
Meteen was het ook gemakkelijker om tijdens de advent en vooral tijdens de vasten
de zichtbaarheid op het altaar en dus op de eucharistie volgens de toen gangbare
liturgische normen sterk te beperken, om een letterlijk warmere ruimte voor het
koorgebed te creëren en om zich voor begerige publieke ogen af te sluiten.
In de makelaar van de vermelde deur werd een rechtstaand Mariabeeldje gesneden. Het Jezuskind op haar linkerarm speelt
symbolisch met een druiventros. Opnieuw
werd hier zorgvuldig het aanmaakjaar ‘1645’ vermeld.
Het opengewerkte baldakijn en de console met vruchten lopen nog over van
renaissancistische karakteristieken.
Het zusterkoor is vermoedelijk wel de meest stemmige en intieme plaats in deze kapel. Het opgeblonken koper van o.a. de kroonluchters,
het blinkende marmer en het geboende hout van bijvoorbeeld de communiebanken zorgen
voor een aangenaam spiegelend effect.
Ook het zilveren deurtje van het achttiende-eeuwse mahoniehouten tabernakel wordt
ongetwijfeld door de kosteres nog veelvuldig gepoetst.
Jan Beerblock (1739-1806) maakte daarvoor het ontwerp.
Hij verwierf in Brugge vooral bekendheid met zijn getekende stadsgezichten. In deze afgesloten ruimte werden het
monumentale portiekaltaar, de twee aanpalende grafarcosolia en de blijkbaar qua
formaat aan de muur aangepaste schilderijen tot bijna een geheel geïntegreerd, hoewel
die vermoedelijk in een latere fase werden opgehangen.
Ook de marmeren plint, uitgevoerd in rode, witte en grijze geometrische motieven,
helpt mee om die warmere sfeer te bereiken. Je
kan niet anders of neerknielen op de fraaie kerkstoelen, waarvan het bovenvlak werd
opgesmukt door de sierlijk gesneden initialen van dit godshuis: O(.-)L(.-)V(rouw-)v(an-)d(e-)P(otterie). Voor de rector staat er een luxueuze
houten bidbank met Lodewijk XV-kenmerken klaar, bedekt met fluweel en ondersteund
door speels gedraaide dolfijnen. Tegen
de achterwand van het witgekalkte doksaal werden twee stenen grafmonumenten ingewerkt
die een stilistische overgang van renaissance naar barok bezitten.
Ze herinneren enerzijds aan Alexander de Groote en Marie Dominicle en anderzijds
aan Joannes Baptist en ‘suster’ Catharina van Cotengys.
Allen fundeerden hier een jaargetijde voor hun zielenheil.
Voor heraldici zijn de erop aangebrachte wapens leuk speelgerief.
In dit koor werden ten andere vele vooraanstaanden begraven.
De geciteerde renaissancistische praalzerken van Nikolaas Despars (1522-1597)
en van Jan de Beer (+ 1608) en vrouw Robertina d’ Aubremont springen het meest in
het oog. Het altaarschilderij De aanbidding
van de herders werd in een onvervalst caravagisme uitgevoerd door de voornaamste
Brugse barokschilder, Jacob van Oost de Oudere (1603-1673).
Deze barokmeester inspireerde zich wel meer op dit thema.
Het doek prijkt tussen getorseerde kolommen, uitgevoerd in wit marmer, die
gewoontegetrouw voor die tijd een monumentale bekroning schragen.
Het daarin verwerkte beeldhouwwerk stelt God de Vader voor.
Zowel de figuratie, de wapperende mantel achter hem en de globe waarop Zijn
linkerhand rust vertonen een merkwaardige verwantschap met het nog indrukwekkender
beeld op het doksaal in de Sint-Salvatorskathedraal, uitgevoerd door de Artus Quellinus
de Jongere (1625-1700), dat evenwel pas een tiental jaar later tot stand kwam. Of mogen we veronderstellen dat de Potteriesculptuur
tot het vroege oeuvre van deze Antwerpenaar behoort?
Met Zijn rechterhand wijst Hij nadrukkelijk naar het altaarblad waar de transsubstantiatie
en consubstantiatie plaatsvindt: ‘VERBO INCARNATO’ uit het eerste hoofdstuk
van het Johannesevangelie (vers veertien).
Het altaar is daaraan opgedragen. Engeltjes,
vruchtenguirlandes en geknopte linten omringen gretig deze iconografisch interessante
sculptuur. Om dit barokaltaar te kunnen
bouwen, lieten de zusters een gotisch raam dichtmetselen.
De constructie ervan gebeurde omstreeks 1670 door aannemer Jan Blomme, die
aan deze kapel nog beelden leverde.
Het wapen van de familie Van Volden bovenaan bewijst dat die een groot deel van
bouwkosten ervan betaalde, wat door de bewaarde rekeningen niet wordt tegengesproken. In dezelfde ruimte staan zestien in
militaire slagorde opgestelde en opgepoetste flambeeuwen van de Confrérie van O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie. Dit broederschap wakkert al sedert 1776
de verering tot het miraculeuze Mariabeeld verder aan.
In de gotische credensnis prijken wat schedelrelikwieën van de H. Ursula
en de elfduizend maagden, die destijds in diverse Brugse kloosters werden vereerd. Een zeldzaam gotisch muurtabernakel
of een H. Oliekastje werd in een steunbeer uitgespaard.
De gotische spitsbogen van de arcade tussen beide beuken zijn bijna niet meer zichtbaar
door een reeks wandtapijten die alle uit de zeventiende eeuw dateren.
Zowel de kartontekenaars als de legwerkers bleven anoniem.
De recent gesuggereerde mogelijkheid dat de vermelde Van Oost de twee grote
gobelins heeft ontworpen, mag zeker worden overwogen al bleven archiefbescheiden
in dit verband blijkbaar niet bewaard.
Meer barokschilders hebben ontwerpen voor textiel getekend, wat deze suggestie nog
meer bevestigt. De toeschrijving aan
deze kunstenaar stoelt op diverse redenen: de Brugse aanmaak, de religieuze onderwerpen
met mariale taferelen en de barokke stijl die opnieuw aan de grootmeester van de
Italiaanse barok, Michelangelo da Caravaggio (1573-1610) herinneren.
Hun hoge ophanging in deze bijna vensterloze beuk – wat de zichtbaarheid
weliswaar niet bevordert – zonder rechtstreeks invallend zonlicht hebben ervoor
gezorgd dat ze goed geconserveerd bleven.
Omstreeks 1630 werden de mirakeltapijten, die aan de andere kant van de arcade hangen,
geweven. Iconografisch verwijzen ze
naar miraculeuze gebeurtenissen waarbij O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie telkens tussenbeide
kwam en meer dan hulp bood. Voor hen
die het beeldmateriaal niet overtuigend vinden of er onvoldoende aan hebben, wordt
onderaan systematisch het verhaal in tekstvorm herhaald.
De visuele weergave ondersteunde dan weer de geschreven getuigenis en zorgde
dat analfabeten eveneens kennis van deze wonderdaden kregen.
Deze voorstellingen zijn geïnspireerd op min of meer dezelfde eenvoudige
wat naïeve tekeningen in het zestiende-eeuwse mirakelboekje dat in dezelfde instelling
wordt geconserveerd. Deze verhalen
zorgden voor voldoende stof voor overtuigende predikanten en dienden als propagandamiddel
voor het bedevaartsoord. We vermoeden,
omwille van het formaat en de lichtspeling op de zuilen tussen de taferelen op het
afgebeelde Mariabeeld, dat de stuntelig geweven mirakeltapijten ooit op een andere
plaats en tegen een volledig vlakke muur werden opgehangen.
In elk geval werden ze slechts ter gelegenheid van grote feestdagen uitgehaald
en tentoongesteld. Zo’n systeem gebruikten
geestelijken ook in andere kerken en wakkerden zo het religieus bezoek aan. Stilistisch getuigen ze niet van een
grote kwaliteit, wel van een diepgaande volkskundige impact.
Dat ze werden geweven naar aanleiding van de bouw van deze Mariabeuk om zo
de verering aan te wakkeren en financieel te ondersteunen, kan zeker worden overwogen. Dergelijke ingrepen gebeurden wel meer
door vrome kloosterlingen om de kosten van de bouw te helpen dragen.
Deze mirakeltapijten hangen eigenlijk niet goed: te moeilijk zichtbaar om
ze in detail te kunnen bekijken en teveel in het licht van de zuidelijke vensterzone
wat de conservatie niet begunstigt.
Laat ons tot slot nog even het indrukwekkende O.-L.-Vrouwealtaar, opgericht in 1691-1692,
bewonderen. Frans Vergauwe en zijn
vrouw Maria van Aeltere sponsorden dit kerkmeubel, waarop dan ook hun wapens werden
aangebracht. Return bestond dus al
in die tijd. Het bedekt de oostelijke
muur van deze mariale kapel van top tot teen.
De anonieme beeldhouwer plaatste hier de gekoppelde zuilen wat schuin waardoor
een grotere dynamiek ontstaat en een uitnodiging om binnen te kijken alsof twee
armen je willen begroeten. Dit marmeren
altaar werd namelijk speciaal gekapt voor het Mariabeeld aan wie deze kapel werd
opgedragen. Dat het in 1987 gerestaureerde
anonieme altaarschilderij, 1623 gedateerd, dan ook haar tenhemelopneming voorstelt,
mag ons geenszins verwonderen. De invloed
van de grootmeester van barok, Pieter Paulus Rubens (1577-1640), druipt er zo van
af. Het qua vorm aangepaste doek had
vroeger twee zijluiken. De geweldige
bekroning van het altaar bestaat uit symbolen van de vier evangelisten rondom een
wereldbol waarop oorspronkelijk de miraculeuze en toen nog gepolychromeerde Mariasculptuur
stond. Intussen kreeg ze een zichtbaardere
plaats een heel stuk lager op hetzelfde altaar.
Dat spelende engelen het grootse baldakijn dragen, dat vergulde stralen het
later aangebracht kruisbeeld omringen en dat allerlei barokornamenten dit kerkmeubel
opsmukken, is hier overbodig aan te halen.
Onze korte wandeling doorheen het interieur van de kapel van O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie
beoogt geen volledigheid. Zo werd bijvoorbeeld
noch de biechtstoel uit 1636, noch de kansel uit 1639 aangehaald.
Stilistisch sluiten ze aan bij de kenmerken van de Brugse beeldhouwkunst
in de eerste helft van de zeventiende eeuw en zijn bedekt met wat renaissancistische
versierselen ook al dateren ze uit de baroktijd.
Maar er bleven nog heel wat andere sculpturen, epitafen en schilderijen onbesproken. Het kan alleen maar een uitnodiging
zijn om zelf eens op onderzoek uit te trekken…
Jean Luc Meulemeester