Beknopte geschiedenis van de Brugse Belofte
De Vlaamse strijd op het einde van de dertiende en het
begin van de veertiende eeuw is één van de meest bewogen, meest bekende en mogelijk
ook één van de meest kleurrijke uit de geschiedenis. De oorsprong ervan vinden we
in het embryo van Vlaanderens wording. Volgens de overlevering schaakte Boudewijn
I “met de ijzeren arm”, de Franse koningsdochter Judith. Als bruidsgeschenk kreeg
hij een feodale staat: Vlaanderen. Dit enorme gebied, dat in zijn beginfase noch
als een politieke, een economische of een culturele eenheid kon worden beschouwd,
werd dankzij een groots gravenhuis, een verbeten strijd en een doorzettingsgeest
van zijn vertegenwoordigers niet alleen een leefbaar vorstendom, maar een echt vaderland,
waarin zich stilaan een nationaal samenhorigheidsgevoel losweekte.
De Vlaams-Franse twisten lopen sindsdien als een rode
draad door onze geschiedenis. Gepaard met een sociaal-economische strijd, een eis
tot zelfstandigheid en een groeiend verzet tegen Frankrijk, zal vooral rond 1300
gedeeltelijk afgerekend worden met de heerszucht en aanhechtingspolitiek van de
Franse koningen. Telkens weer dook de droom op om van Vlaanderen een machtig rijk
tussen de andere mogendheden van West-Europa te maken. Dromen die geen realiteit
werden. Vanaf de twaalfde eeuw kwam
er nog de stormachtige opgang van de poorterij, de machtsafname van de graaf en
de grotere invloed van een aantal rijke families die noch de heerschappij van de
graaf, noch het medezeggenschap van het volk duldden. Vanuit die optiek dienen we
de strijd omstreeks de vermelde eeuwwisseling te bekijken.
In 1280 kwam het in Brugge tot bloedige botsingen van
sociale aard. Brugge was toen de machtigste handelsmetropool van West-Europa. Voortdurende
conflicten tussen de Avesnes en de Dampierres en de opstanden van de ambachtslieden
tegen de uitbuiting en onderdrukking van het patriciaat vormden zeker een gunstige
voedingsbodem voor verdere strijd.
Komt daarbij nog dat Gwijde van Dampierre in 1297 steun
zocht bij de vijand van Filips de Schone, met name Edward I van Engeland en tegelijk
zijn leentrouw aan de Franse vorst opzegde. Het volk schaarde zich achter de graaf.
Die remde de macht van het patriciaat weliswaar af, maar stond geen inmenging van
“het gemeen” toe.
Wanneer het patriciaat van zijn kant aanleunt bij Filips de Schone, wanneer
Edward I ondanks zijn beloofde steun toch niet tussenbeide komt en wanneer de blijvende
drang van de Fransen om Vlaanderen te beheersen eventueel kon worden uitgevoerd,
breekt het ogenblik aan om die gebieden te bezetten. Vlaanderen wordt bij het Franse
kroondomein gevoegd en Jacques de Saint-Pol, beter bekend als de Châtillon, wordt
als gouverneur van Vlaanderen aangesteld.
Het vervolg van de geschiedenis is algemeen bekend.
De onderdrukking, het schenden van de vrijheid, het misnoegen van
sommige patriciërs tegen de Franse hooghartigheid, het verzet van de ambachten tegen
de te hoge financiële eisen, de sociale ontevredenheid, het nationaal gevoel, de
inlijving en bezetting door een vreemdeling, bereidden de opstand voor.
Daarbij wijzen we op de medewerking van de zonen en verwanten van de intussen
in Frankrijk gevangen gezette Gwijde van Dampierre, die het verzet steunden, al
was het met een ander doel.
Sociale tegenstellingen werden intussen door politieke
verdrongen. De patriciërs zochten steun
bij de Franse koning en de volksklasse sloot zich aan bij de graaf van Vlaanderen. Een dubbele tegenstelling ontstond:
een coalitie tussen de koning en de patriciërs en een verbond tussen de graaf en
het volk, een twist tussen rijk en arm.
Omwille van de lelie in het koninklijk wapen werden de patriciërs “leliaards”
genoemd, terwijl de volksklasse zich “klauwaards”
noemde, zinspelend op de klauwende leeuw uit het grafelijk wapenschild.
We schrijven 1302.
De Brugse Metten en de zegepraal van de Guldensporenslag – het prestigieuze leger
van de Fransen werd er verpletterend verslagen – mogen zeker als roemrijke daden
uit Vlaanderens geschiedenis worden aangehaald.
De strijd had echter geen eindpunt bereikt.
De schandelijke nederlaag van Filips de Schone leidde tot een revanche enerzijds
en tot een te grote zegeroes bij de Vlamingen anderzijds.
De overwinning gaf aanleiding tot verscheidene onlusten
in Brabant, Luik en Frankrijk en daarenboven trok het moedige gemeenteleger ten
strijde tegen de Avesnes. Holland, Zeeland, Stricht en Henegouwen werden genoodzaakt
oorlog te voeren. In augustus 1304
werd de Vlaamse vloot door de Hollandse en Franse schepen verslagen.
Op 18 augustus 1304 kwam het tot een verwoede en verwarde veldslag nabij
de Pevelenberg, een heuvel ten noorden van de stad Dowaai langs de grote baan naar
Rijsel. Koning Filips de Schone voerde
er zelf zijn drieduizend gepantserde ruiters en achtduizend voetknechten aan. Net
zoals in de Guldensporenslag vormde een duel tussen de kruisboogschutters van beide
kampen de inleiding tot de eigenlijke strijd. Daarna ontstond een vreselijk handgemeen
dat tot de invallende duisternis aanhield, maar aan geen van beide partijen een
overwinning bezorgde. Toen ze zagen
hoe de Franse ridders door de Vlaamse rechterflank in het defensief werden gedrongen,
dachten de Gentse, Ieperse en Kortrijkse milities verkeerdelijk dat de slag in hun
voordeel was beslecht. Ze trokken zich
dan ook in de richting van Rijsel terug.
Filips van Tiëdi en Willem van Gulik daarentegen bleven tot in de late avond doorvechten
met de troepen uit Brugge, Rijsel en Aalst.
De onbesliste veldslag ligt echter nauw verbonden met
Brugge. De jaarlijkse processie van
15 augustus heeft namelijk haar ontstaan te danken aan een tijdens die slag gedane
belofte. Het is tijdens de bange ogenblikken
van de strijd dat Filips van Tiëdi en zijn Brugse strijdmakkers plechtig beloofden
ieder jaar op 15 augustus ten eeuwigen dage aan O.-L.-Vrouw-van-de-Potterie een
kaars van
36 pond
te zullen offeren indien zij behouden naar hun stede mochten terugkeren.
Dit werd bevestigd door enkele kroniekschrijvers. Anderen daarentegen schrijven
de belofte toe aan de achtergebleven Brugse vrouwen die bij de Heilige Maagd bescherming
afsmeekten voor hun in het Vlaamse leger strijdende zonen en echtgenoten.
Hoe dan ook, het staat vast dat graaf Robrecht van Béthune, na zijn terugkeer
uit Franse gevangenschap in 1305, de nodige maatregelen nam om die belofte te eerbiedigen.
Met dit doel veranderde hij nabij de Smedenpoort een inrichting die onderdak verleende
aan arme reizigers tot een gasthuis voor blinden.
Hij deed het nodige opdat die nieuwe stichting over belangrijke
inkomsten kon beschikken en belastte het “blindeliedengasthuis”
ten eeuwigen dage tot het nakomen van die Brugse Belofte.
Een document uit 1418 vermeldt dat de deken en de aanvoerders van het O.-L.-Vrouwegilde
alsook de verantwoordelijken van het gasthuis tot in de eeuwigheid elk jaar op 15
augustus een kaars van
36 pond
zouden offeren. De bezittingen van
het gasthuis stonden borg voor het uitvoeren van die belofte.
Ieder jaar wordt in elk geval een wassen kaars stoetsgewijs
van Blindekens naar de Potteriekapel gedragen.
Door die symbolische daad bewijzen de Brugse mannen, vrouwen en kinderen,
hun onwankelbare trouw aan eigen aard en zeden en leggen zij openlijk getuigenis
af van hun onwrikbaar geloof in de blijvende waarden van een groots Vlaams verleden. Volgens de overlevering is dit de oudste
religieuze belofte op het Europees vasteland.
En terwijl de kleurrijke processie, bewonderd door vele kijklustigen, langs
de pittoreske trapgevels en de rimpelloze reien voorbijtrekt en veertiende-eeuwse
gezangen ten hemel stijgen, herleeft weer iets van het schone Brugge, die immer
bekoorlijke stad met haar mengeling van mystiek en poëzie. Aangekondigd door de
stadsomroeper en ingeleid door de eeuwenoude broederschap van O.-L.-Vrouw-van-Blindekens
en de banieren van Vlaanderen en Brugge, trekt de beloftekaars, gedragen door twaalf
“maagdekens”, aan onze ogen voorbij.
Daarop volgen de Brugse vrouwen en kinderen, biddend en zingend.
En uiteindelijk komt het versierde miraculeuze Mariabeeld, ieder jaar opnieuw
door de stille straten van de oude Zwinstad.
Wanneer vandaag de Brugse Belofte voor de zoveelste maal
wordt bestendigd, is dit niet alleen een hulde aan de Moeder van God, het in leven
houden van een merkwaardige traditie, of het in stand houden van levende folklore,
maar het blijft ook een bewijs van en een herinnering aan Vlaanderens grootheid. Een dag die in feite gaan enkele Vlaming
en zeker geen enkele Bruggeling, mag missen.
JEAN LUC MEULEMEESTER